Waarom een lagere MKI-score niet altijd de meest duurzame keuze is
HomeWaarom een lagere MKI-score niet altijd de meest duurzame keuze is
De Milieukosten Indicator (MKI) is uitgegroeid tot een belangrijke maatstaf voor duurzaamheid in de bouw. Een lagere MKI-score lijkt een duidelijke aanwijzing: dit product heeft de lagere milieuimpact. Maar is dat altijd zo?
Achter iedere MKI-score schuilt een uitgebreide berekening met keuzes, aannames en uitgangspunten. Daardoor kunnen vergelijkbare producten soms toch verschillende scores krijgen. Maar wat zegt zo’n verschil eigenlijk over de meest duurzame keuze?
Om die vraag te beantwoorden, is het belangrijk om eerst te begrijpen hoe een MKI-berekening tot stand komt.
Wat is een MKI-score?
De Milieukosten Indicator vertaalt de milieubelasting van een product naar één cijfer. Die score is gebaseerd op een levenscyclusanalyse (LCA), waarin de milieu-impact gedurende de volledige levensduur van een product wordt berekend. Doordat alle milieueffecten worden samengebracht in één waarde, vormt de MKI een praktisch hulpmiddel om duurzaamheid mee te nemen in ontwerp- en inkoopbeslissingen. Tegelijkertijd blijft de uitkomst afhankelijk van de manier waarop de berekening is uitgevoerd.
Hoe wordt een MKI berekend?
De basis van iedere MKI-berekening is een levenscyclusanalyse (LCA). Daarbij wordt gekeken naar de milieubelasting van een product gedurende verschillende levensfasen.
Veel berekeningen richten zich op de productiefase:
• A1: winning van grondstoffen • A2: transport van grondstoffen • A3: productie van het product
Steeds vaker worden ook andere levenscyclusfasen meegenomen, zoals transport naar de bouwplaats, de gebruiksfase, onderhoud en de verwerking aan het einde van de levensduur, zoals: • A4–A5: bouw-/installatiefase • B1–B7: gebruiksfase • C1–C4: einde levenscyclus (End-of-Life) • D: baten en lasten ná de levenscyclus, buiten de systeemgrens
Niet iedere MKI-berekening neemt echter dezelfde levensfasen mee. Alleen dat verschil kan al invloed hebben op de uiteindelijke score.
Daarnaast spelen ook de gebruikte datasets, rekenregels en bepalingsmethoden een belangrijke rol
Waarom verschillen MKI-scores soms van elkaar?
Hoewel de MKI bedoeld is als objectieve meetlat, worden berekeningen niet altijd op exact dezelfde manier uitgevoerd. Dat heeft verschillende oorzaken:
• Verschillende versies van de Nationale Milieudatabase (NMD);
• Verschillen in de systeemgrenzen die worden meegenomen, bijvoorbeeld alleen de
productiefase (A1 t/m A3) of aanvullende levenscyclusfasen (A4 t/m D);
• Overgangsperiodes waarin meerdere rekenmethoden gelijktijdig geldig zijn;
• Nederlandse aanvullingen op Europese rekenregels, zoals productspecifieke richtlijnen
(PCR’s) voor onder andere cement.
Hierdoor kunnen vergelijkingen tussen producten complex zijn. Een verschil in MKI-score betekent daarom niet automatisch dat ook het verschil in werkelijke milieu-impact even groot is.
Volgens Frank Staal, betontechnoloog bij Bosch Beton, bevindt de sector zich nog midden in deze ontwikkeling: “We werken in Nederland nog met een eigen rekenmethodiek, terwijl er tegelijkertijd Europese standaarden worden ontwikkeld. Dat maakt vergelijkingen soms lastig. Uiteindelijk is het belangrijk dat systemen beter op elkaar gaan aansluiten.”
Voorbeeld: stapelblokken vs. prefab keerwanden
Een goed voorbeeld is de vergelijking tussen stapelblokken en prefab keerwanden. Op productniveau kan een stapelblok een lagere MKI-score hebben dan een prefab keerwand. Op basis daarvan zou je kunnen concluderen dat stapelblokken de duurzamere keuze zijn. In de praktijk gaat het echter niet om één product, maar om de complete grondkerende
constructie.
Om dezelfde functie te vervullen zijn vaak meer stapelblokken nodig dan prefab keerwanden. Dat betekent meer materiaalgebruik, meer transportbewegingen en meer verwerking op locatie. Een vergelijking die uitsluitend uitgaat van de MKI-score per product of per kubieke meter geeft daardoor niet altijd een volledig beeld van de milieu-impact van de uiteindelijke constructie. Voor een eerlijke vergelijking moet gekeken worden naar de totale materiaalhoeveelheid die nodig is om dezelfde functie te vervullen.
Volgens Frank Staal laat een vergelijking tussen stapelblokken en prefab keerwanden goed zien waarom niet alleen naar de MKI-score van een individueel product gekeken moet worden:
“Neem een grondkerende constructie van 2 meter hoog en 4 meter lang. Om die functie met stapelblokken te realiseren, zijn 25 stapelblokken nodig, goed voor ongeveer 3,2 m³ beton. Met één prefab keerwand is voor dezelfde functie circa 1,6 m³ beton nodig. Voor dezelfde toepassing is dus bijna twee keer zoveel betonvolume vereist. Wanneer uitsluitend naar de MKI per product of per kubieke meter wordt gekeken, blijft het effect van de daadwerkelijk benodigde materiaalhoeveelheid buiten beeld. Daardoor ontstaat niet altijd een volledig beeld van de totale milieu-impact.”
Juist daarom is het belangrijk om oplossingen op basis van dezelfde functie ook op volumeniveau met elkaar te vergelijken.
Waarom ook materiaalvolume en levensduur van belang is
Volgens Bosch Beton ontstaat een eerlijke vergelijking pas wanneer producten worden beoordeeld op de functie die zij vervullen en hoe lang zij die kan vervullen. Daarbij is niet alleen de MKI-score van belang, maar ook de hoeveelheid materiaal die nodig is om dezelfde prestatie te leveren. Door oplossingen op functieniveau en levensduur te vergelijken, ontstaat een realistischer beeld van de totale milieu-impact. Juist daarom moet bij duurzaamheidsafwegingen verder gekeken worden dan één getal alleen. Die overtuiging staat ook centraal in de manier waarop Bosch Beton haar milieuprestaties inzichtelijk maakt.
De aanpak van Bosch Beton
Bosch Beton brengt de milieubelasting van haar producten in kaart met uitgebreide levenscyclusanalyses (LCA’s). Daarbij wordt gewerkt met een top-downmethode, waarbij de milieu-impact van de totale productie wordt vertaald naar productniveau. Hierdoor zijn de berekeningen gebaseerd op bedrijfsgegevens en sluiten ze aan op de werkelijke productie. De resultaten worden onafhankelijk geverifieerd en vastgelegd in Environmental Product Declarations (EPD’s). Daarmee zijn de berekeningen transparant en controleerbaar. Daarnaast werkt Bosch Beton samen met brancheorganisaties, waaronder Betonhuis, aan de verdere standaardisatie van rekenmethodieken. Het doel is om producten in de toekomst nog beter en eerlijker met elkaar te kunnen vergelijken.
MKI is een waardevol hulpmiddel, maar vertelt (nog) niet het hele verhaal
De MKI helpt de bouwsector om duurzaamheid meetbaar te maken en bewuste keuzes te onderbouwen. Dat maakt de indicator waardevol voor opdrachtgevers, ontwerpers en producenten. Tegelijkertijd is de systematiek nog volop in ontwikkeling. Verschillende rekenmethoden, overgangsregelingen en verschillen in de afbakening van de levenscyclus maken dat een MKI-score niet altijd het volledige verhaal vertelt. Een goede vergelijking vraagt daarom om meer dan één getal. Ook de gehanteerde uitgangspunten, de gebruikte rekenmethode én de hoeveelheid materiaal die nodig is om dezelfde functie te vervullen bepalen uiteindelijk hoe duurzaam een oplossing daadwerkelijk is